Poëzie
Dick Ronner
wit
soms laat de taal
zich niet besnijden:
er is geen woord
of het is overscharig
ik drijf de letters uit,
het schrift verdwijnt
wat blijft zijn slechts
kwadraten wit
poëtica
tijdens het wisseluur,
als de nacht beslag legt
op de dag
laat ik de tijd
op zijn beloop
en maak een omweg
door de taal
woorden
laten zich vinden
in het hoge van de bomen,
bij het lage van de weg
of niet
stad
door straten dwaal ik
vol van stadslawaai
plots plukken mijn oren
een toefje muziek
gespeld als een corsage
op een vuil gewaad
onverwacht magisch
dromen
als je in het mos ligt te dromen
laat de wind de schaduwen bewegen
op het loof, hoog in de bomen
waar de wolken tikkertje spelen
naam
wie oren om te horen heeft
hoort in het suizen
van een zachte stilte
een onuitsprekelijke naam
al luisterend bespeur ik
jouw tegenwoordigheid
verlangen
de wereld lijkt verklaard
nu wij de dromen wegen
en de verwondering
zonder aarzeling ontleden
slaven van wat tastbaar is
zijn wij, het meetbare
vereren wij als onze meester
slechts hij die verder gaat,
over de grens van de onttovering
ervaart dat er geheimen blijven
en huivert van verlangen
geveld verleden
ik telde zeventig keer zeven
vette en magere getijden,
al lang gewisselde seizoenen,
die elkaar steeds weer omhelsden
en rondgingen schier zonder einde
maar hun beweging is verjaard,
hun omarming werd gekapt, ik telde
de ringen van een geveld verleden
staf
ik zoek een staf om
de geschiedenis te slaan
voorbijgegane dagen
zullen splijten en
als twee wanden rijzen
zodat ik door het midden
van de tijd kan gaan
het verleden zal dan
in de toekomst zinken
klok
de klok loopt achter sinds ik haar
al te gehaast heb opgedraaid
ik koester de gestolen uren
als mijn buit, maar weet
dat ik mijzelf bedrieg
de tijd wordt mij ontvreemd,
hoe traag een klok ook tikt
koestal
hoekig staat de koestal
vast in de klei geborgd
niet sier maar soberheid
was boeren in het hart gegrond
toch wordt de strakke bouw
door rondingen doorbroken
knipogen, in glas gevangen,
van een kantelende maan
knikkeren
in het voorjaar zie ik
kinderen knikkeren
met kastanjes uit een
al lang vergeten herfst
méér dan een hand vol
bomen neem ik mee
naar huis
binnen
de zomer kwijnt, de eerste
wolken vlokken in het westen
mijn poes, die in de schaduw
van de kamperfoelie heeft geslapen
neemt de geur van honing
mee naar binnen in haar vacht
ik deel haar voorgevoel en
trek me in mijn huis terug
de regen zal niet lang meer
op zich laten wachten
dooi
er zijn geen wegen meer
van marmer en geen glazen
paden, er staat gewoon
weer water in de sloten
slechts aan de rand
van grote meren kruit nog
smeltend ijs tegen de dijk
het laatste wit dooit weg;
er is meer kleur - toch lijkt
de wereld grauwer dan voorheen
westerkwartier
vol levenslijnen is dit
nog onbedorven, grillig land
geen ruilverkaveling,
geen strepen, getrokken
langs een dode liniaal
maar elzensingels,
kruidige weiden
tussen de coulissen,
het baltsen van de vogels
tegen dit decor
een mens zou in dit spel
wel medespeler willen zijn
noorddijk
op de grens van stad en land
draal ik op het kerkhof, een enclave
van al lang verwelkte rouw
het korstmos dekt de zerken toe
en om de schouders van de stenen
ligt een groene wade
ik voel het roesten van de tijd
en neem me voor me nooit,
nooit meer te zullen haasten
wierden
hoogtelijnen en waterlopen
leiden de weg met zachte hand
door het landschap, slingerend
van wierde naar wierde
de zee is uit het oog verloren,
de dorpen liggen veilig
in de armen van de dijk
maar de kerken staan gezadeld
op hun hoogten, klaar
om weg te galopperen
als het water toch nog komt
heveskes
ik snijd het kerkje van
heveskes uit het omliggend
onteigend land, leg het
voor me op tafel
de windvang stelt opnieuw
zijn grenzen, het wad ruikt
als vanouds
de doden rusten weer
tot aan de jongste dag
in vrede
bourtange
ik zie de wallen slapen
met gekromde ruggen,
de grachten vredig eromheen
ravelijnen, bastions;
de woorden van een half-
vergane taal bekoren mij
tegen mij zin, want
deze nostalgie is vals
vergeten zijn de doden,
de diepe voren in het
rooiland van heldhaftigheid
ik wil hier weg en blijf
toch liggen in het gras
vijf spaden diep
dement
langzaam heeft je fontanel zich
in een grijze frons verhard
vergetelheid stoelt uit
nu er steeds plooien vallen
in het broze baldakijn
dat de herinnering beschermt
al krimpt je verleden met de dag,
je blijft voor mij dezelfde:
een mens is meer dan zijn geheugen
afscheid
de fles is uitgeschonken,
steeds minder wijn weifelt
steeds langer in de glazen
de vraag om uitstel
wordt met onbeweeglijk
zwijgen bevestigend beantwoord
respijt vertraagt slechts,
stopt niet het zuigen van de tijd;
wie afscheid neemt, moet
onvermijdelijk eens gaan
rouw
vandaag
sinds jouw verscheiden
schrijdt de tijd
oneindig traag
naar de eeuwigheid
in paradisum
je zoekt naar woorden
die in register vallen met
wat al eeuwen wordt gezegd
je vindt wat restjes taal,
twijnt ze tot een rafelig gedicht;
neemt een handvol letters,
geeft hem die mee
als je hem neerlegt, daar
op die plaats van
blijven en er-niet-zijn
Dick Ronner ~ Houwerzijl ~ Groningen
Via Triona Pers kunt u toestemming vragen om een gedicht over te nemen.