Brazilie
Scriptie over Brazilie in de vorm van 10 stellingen.
jouw foto hier
........Plattegrond van Brazilie........




Brazilie
Stelling 1
De regering vergroot de tegenstellingen tussen arm en rijk in de landbouw

Wat voor tegenstellingen zijn er in de landbouw?
De tegenstellingen wat betreft arm en rijk liggen voor het grootste deel bij het groot grond bezit. Een rijke elite bezit het grootste gedeelte van de grond, en de arme massa bezit weinig of zelfs geen grond ((deel)pacht).
De basis van het grootgrondbezit werd al in de koloniale tijd gelegd, toen aan Portugese onderdanen grote lappen grond in eigendom werden gegeven of zij zich die gewoon toeeigenden. Deze mensen hebben deze grote lappen grond ook gehouden, tot de dag van vandaag. Vaak hebben zij hun areaal, omdat zij over invloed en kapitaal beschikten steeds weer vergroot. De plattelandsbevolking, die over weinig macht, invloed en financiën beschikte en die ook niet in staat was om met slavenarbeid of loonarbeiders een meer kapitalistisch opgezette landbouw te beoefenen, moest genoegen nemen met kleine oppervlakten land.

Hoe wilde de overheid de opbrengst in de landbouw vergroten?
De regering bedacht regelingen om de opbrengst van de landbouw (en dus de export) te stimuleren:
a) Vergroting van de opbrengst van de landbouw door automatisering en intensivering.
b) Ter beoefening van deze vernieuwing werd krediet met lage rente verleend en werden subsidies uitgedeeld.
c) De infrastructuur; wegen & irrigatie wordt uitgebreid

Hoe werden de tegenstellingen in de landbouw vergroot?
Alleen de grotere bedrijven konden echter goed van deze regelingen gebruik maken omdat:
(1) zij over een groter areaal beschikten en dus gemakkelijker over konden gaan tot vernieuwingen, zoals mechanisatie en het toedienen van productieverhogende chemicaliën (intensivering)
(2) Zij gemakkelijker krediet verkregen tegen gunstige voorwaarden; grootgrondbezitters hadden onderpand.
(3) Zij gebruik konden maken van allerlei fiscale faciliteiten; subsidies
(4) Zij gemakkelijker hun voordeel konden doen met de door de overheid gegeven landbouwvoorzieningen; irrigatie, infrastructuur werden zo aangelegd dat grote ondernemingen er profijt bij hadden.

De kleine boeren daarentegen zagen veel minder kans om op hun beperkte bedrijfsareaal allerlei moderniseringen te realiseren. Ook kwamen zij niet of minder in aanmerking voor krediet; ze hadden geen onderpand. Om die redenen waren de meeste kleine bedrijfjes genoodzaakt hun bedrijf op de traditionele manier voort te zetten: wat hen steeds meer in een ongunstige concurrentiepositie bracht.
Daar kwam bij dat bevolkingsgroei, in combinatie met stijgende grondprijzen, tot opsplitsing van een deel van de gezinsbedrijven leidde. De arme boeren hadden zo steeds minder grond, en konden steeds moeilijker moderniseren.
De rijke grootgrondbezitter, wilde door de modernisering alleen maar meer grond, omdat dit meer winst opleverde. Zo kwam de situatie dat in bepaalde gebieden kleine bedrijven onder druk kwamen te staan om hun land te verkopen. Veel kleine bedrijven werden dan ook beëindigd.








Algemene informatie Braziliaanse landbouw
Ca. 9% van de oppervlakte van Brazilië is als cultuurgrond in gebruik. Van de totale exportopbrengsten is 45% uit de agrarische sector afkomstig, waarin (1993) 23% van de economisch actieve bevolking werkzaam is.
De belangrijkste akkerbouwgebieden liggen in de kuststaten van het zuiden en het noordoosten.
Koffie, vnl. in de staten São Paulo en Paraná (ca. 50% van de nationale productie) verbouwd, is het economisch belangrijkste product van Brazilië, dat 's werelds grootste koffieproducent is (ca. eenderde van de wereldproductie). Intern nam als gevolg van de diversificatiepolitiek de eenzijdige oriëntatie op de koffie af: tot 1964 bedroeg het aandeel van koffie in de export 50%, in 1995 nog maar 5%.
Andere belangrijke producten zijn soja, suiker en cacao (vnl. in de staat Bahia). Vooral de productie van sojabonen is in de jaren tachtig sterk toegenomen. In 1988 was de exportopbrengst van sojabonen voor het eerst hoger dan die van koffie.
De verbouw van suikerriet nam toe na de invoering in 1976 van het programma ter stimulering van het gebruik van ethanol (dat uit suikerriet verkregen wordt) als brandstof voor auto's. De katoenverbouw (vooral in São Paulo en Paraná) is in de eerste helft van de jaren zeventig teruggelopen. Daarentegen is de verbouw van sisal (Rio Grande do Norte, Paraíba) zo sterk toegenomen, dat Brazilië de eerste producent ter wereld is geworden voor dit gewas.
Door het gehele oostelijke gebied verspreid is de verbouw van tabak, bananen, suikerriet en maïs. Tarwe komt uit Rio Grande do Sul en uit Paraná.
Als inheemse voedselgewassen worden rijst en maniok vrijwel overal verbouwd. Aanplantingen van tungbomen leveren tungolie. In de Sertão levert de carnaúbawaspalm carnaúbawas; de zgn. wonderboom levert ricinusolie;
in Rio Grande do Sul levert ervamate een theesurrogaat;
in het Amazonegebied komen wilde rubber en paranoten voor.
De verbouw van citrusvruchten (vnl. in de staat São Paulo) is vanaf 1979 geïntensiveerd. Sinaasappelsap vormt na koffie en soja het belangrijkste agrarische exportproduct.
Als gevolg van de expansie van de grootschalige exportlandbouw daalde de voedselproductie per hoofd van de bevolking tussen 1965 en 1985 met een kwart. Een programma gericht op landhervormingen in de agrarische sector, geïnitieerd onder president Goulart (1961–1964), stuit op politieke tegenstand. De verdeling van het grondbezit onder de agrarische bevolking is zeer ongelijk.
Het grootste gedeelte van het landbouwareaal bestaat uit weiden. De veehouderij draagt voor ca. 25% bij aan de waarde van de agrarische productie.
Centra zijn de staten Minas Gerais, Rio Grande do Sul, São Paulo, Mato Grosso en Goiás (in de laatste twee staten is de veehouderij extensief). Hoewel de vleesproductie in de eerste plaats voor binnenlands gebruik bestemd is, neemt de export van rundvlees toe. Naast runderen worden vnl. varkens, schapen, geiten en paarden gehouden. In het Amazonegebied zijn landerijen van meer dan 600 km2 uitgegeven voor veehouderij, wat leidt tot een nog schevere verdeling van het grondbezit en een dramatische aantasting van het natuurlijk milieu.
Nog een keer informatie landbouw
Ongeveer 30 procent van het Braziliaanse oppervlak is geschikt voor agrarische doeleinden. Samen met de verschillende klimaten kan daarop een groot aantal gewassen worden verbouwd. Op de grond is ook genoeg ruimte voor de veeteelt. Brazilië is de grootste producent van koffie en behoort tot de grootste producenten van suikerriet, soja, cacao, tabak, katoen, rundvlees en sinaasappelsap. Al deze producten komen ook op de wereldmarkt terecht. Opvallend is dat Brazilië een netto importeur van granen is. Dat is een gevolg van de afschaffing van subsidies in deze sector. De productiemiddelen zijn veelal verouderd. Er is onvoldoende aandacht voor wisselbouw, kunstmestgebruik, mechanisatie etc. Dat geldt vooral voor de kleinere bedrijven, maar ook de grote bedrijven maken nog onvoldoende gebruik van de mogelijkheden van schaalvergroting.
De agrarische sector heeft in de het begin van de jaren '90 kunnen profiteren van hogere prijzen en goed weer. In 1995 echter, kwamen vele boeren in grote financiële problemen. Als gevolg daarvan is het bebouwde areaal in 1996 met 6% verminderd. Nu doen vooral de koffie en granen het aanzienlijk beter. Om een hogere opbrengst te kunnen realiseren heeft de Braziliaanse overheid enkele maatregelen genomen waardoor de boer het financieel wat beter heeft. De kredietfaciliteiten zijn onder andere verruimd.

Stelling 2
Het kapitaal van Brazilië zit in de grond en kan beter worden geëxploiteerd.

De bodemschatten zijn zeer omvangrijk en gevarieerd, maar naar verhouding nog weinig geëxploiteerd. In het bijzonder in het Amazonebekken worden geregeld nieuwe vindplaatsen ontdekt.
De aangetoonde hoeveelheid ijzererts behoort tot de grootste ter wereld. Brazilië is 's werelds grootste exporteur van ijzererts (108 miljoen ton in 1986). Het belangrijkste mijngebied vormt de staat Minas Gerais, waar de voorraden aan ijzererts bij Itabira en Ouro Prêto deels van een zeer hoog gehalte zijn (tot 68,5%). Vanaf 1986 zijn de ijzerertsvoorraden in Serra dos Carajos (noordelijk Amazonegebied) in productie genomen (dagbouw). Carajos herbergt naar schatting een voorraad van 18 miljard ton ijzererts
Op de tweede plaats komt bauxiet
Vervolgens mangaanerts
Belangrijk is voorts de winning van goud, industriediamant, edelstenen zoals aquamarijn, diamant en smaragd (vnl. bij Diamantina in Mato Grosso). De winning van goud, veelal door goudzoekers, veroorzaakt een ernstige aantasting van het landschap en verontreiniging (door wegspoeling van kwik) van het oppervlaktewater.
Voor bergkristal (Goiás, Bahia) bezit Brazilië een quasi-monopolie, terwijl het een van 's werelds belangrijkste producenten van tin en mangaan is.
Het land is voorts de tweede westerse producent van chroomerts, de vijfde van mica, de derde van zirkoon en de grootste van beryllium.
In 1975 werd in Mato Grosso de vermoedelijk grootste voorraad titaan ter wereld ontdekt.
Aardolie komt vnl. uit de staten Bahia, Alagoas en Sergipe; ook off-shore is aardolie aangeboord. Na de ontsluiting van het Campos-olieveld buiten de kust van de staat Rio de Janeiro in het begin van de jaren tachtig, verdubbelde de productie van aardolie, waarmee Brazilië kan voorzien in de helft van de binnenlandse behoefte.
De import van de overige ruwe olie en derivaten drukt voor $ 4 miljard op de betalingsbalans.
Steenkool wordt gevonden in Rio Grande do Sul en Santa Catarina. In de staat Amazonas bij de grens met Peru en Colombia ligt volgens geologen een van de rijkste steenkoollagen ter wereld.
Verder worden geëxploiteerd: fosfaat, grafiet, magnesiet, wolfraam, lood, asbest, uraan, bariet, apatiet en zilver. De na 1936 geregistreerde delfstoffenvoorraden zijn eigendom van de staat, waarvan de exploratie alleen aan Brazilianen voorbehouden is. Buitenlandse kapitaaldeelname is echter geoorloofd.
De aardolieproductie was een staatsmonopolie (Petrobras). Privatisering heeft ook hier het monopolie op losse schroeven gezet. Bovendien is Petrobras alleen niet in staat de nodige investeringen te doen. Overigens volstaat de oliewinning maar voor de helft van de binnenlandse vraag.
Van de grote rijkdom aan waterkracht (ca. 90% van de elektrische energie wordt hieruit gewonnen) wordt pas sinds de tweede helft van de jaren zeventig op grote schaal gebruik gemaakt.
In 1984 werden twee waterkrachtcentrales in werking gesteld:
de Itaipú-dam in de rivier de Paraná in samenwerking met Paraguay (met een vermogen van [1990] 12,6 miljoen kW de grootste ter wereld)
en de Tucuruídam in de rivier Tocantins in het Amazonegebied (met een vermogen van 4 miljoen kW ten behoeve van het Carajos-mijngebied).
De bouw van de Balbina-dam in het westelijke Amazonegebied leidde in 1987 tot kritiek vanwege de moord op Indianen en de vernietiging van de ecologie. Pogingen te komen tot bioalcohol voor auto's moeten de afhankelijkheid van benzine verder verminderen
De mijnbouw
In 1988 liepen de investeringen in de mijnbouw aanzienlijk terug, omdat een grondwetswijziging bepaalde dat buitenlandse bedrijven maximaal 49% in de natuurlijke rijkdommen kon exploiteren. In 1980-1988 werd nog voor ongeveer $160 miljoen per jaar in deze sector geïnvesteerd. Door het terugtrekken van de buitenlandse mijnbouwbedrijven viel dit terug tot $50 miljoen in de periode 1989-1996. Hierdoor liep de Braziliaanse mijnbouw een grote achterstand op haar buitenlandse concurrenten en werd de schatkist er niet voller op. Dat was niet de bedoeling. In 1995 werd daarom die grondwetwijziging weer teruggedraaid. De komende jaren zullen de investeringen dan ook weer toenemen. Dat is niet verbazend, want Brazilië heeft grote oppervlakten met grondstoffen. Een derde van de ijzerertsvoorraden in de wereld ligt in Brazilië. Andere omvangrijke voorraden zijn delfstoffen als bauxiet, mangaan, kolen, chroom, goud en tin. Nog niet zo heel lang geleden zijn ook grote voorraden nikkel en uranium gevonden.
Brazilië is ondanks haar minder efficiënte mijnbouw nog steeds één van de belangrijkste producenten en exporteurs van minerale grondstoffen. Het staat samen met Australië op de eerste plaats wat betreft de export van ijzererts en het is na Indonesië de grootste tinproducent. Met 90% van de wereldproductie aan edelstenen en halfedelstenen (uitgezonderd diamanten) neemt het een eenzame plaats aan de top in.

Winning: (ATLAS)
- Bauxiet B + K
- IJzer erts met name! B + K
- Mangaan B + K
- Nikkel K
- Goud B
- Platina K
- Tin B
- Petroleum; een product van aardolie K
- Aardolie K
- Aardgas K
- Uranium K
- Koper B

Nu worden grote stukken amazonegebied plat gekapt / gebrand. Ook dit is niet nodig. Onderzoek heeft uitgewezen dat de opbrengst per hectare, met noten- en rubberbomen en andere gewassen groter is dan de landbouwopbrengst per hectare.


Reserves; en: waarom nog niet volledig geëxploiteerd?
Behalve deze delfstoffen; die nu ook geëxploiteerd worden, bezit Brazilië ook nog tal van reserves. Vooral in de binnenlanden; in het Amazonegebied zijn nog vele delfstoffen en grondstoffen die onvoldoende of niet worden geëxploiteerd. Dit is om verschillende redenen:
(1) Het kapitaal is afwezig om de juiste infrastructuur, bedrijven en installaties aan te leggen. Vele staatsbedrijven zijn geprivatiseerd en hebben nu onvoldoende kapitaal om de juiste investeringen te doen.
(2) Het Amazonegebied is nog niet volledig ‘gekolonialiseerd’. Een groot gebied is nog niet onderzocht op grond- en delfstoffen.
(3) Het oerwoud is slecht toegankelijk
(4) indianen


Stelling 3
Gebergten in Brazilië zorgen in Brazilië voor grote klimaatverschillen

Neerslag

Amazonegebied en binnenlanden
In een groot gedeelte van het Amazonegebied, met name in het westen en nabij de monding van de rivier, valt meer dan 2000 mm neerslag per jaar. Nabij de monding valt de neerslag vooral tijdens de zomer; in het westen zijn er twee regentijden, een grote in febr.–juni, en een kleine in okt.–jan. Overigens zijn ook de tussengelegen ‘droge’ tijden niet absoluut droog, maar vallen er bijna iedere dag buien, veelal gepaard met onweer. Zowel in de droge tijden als gedurende de beide regentijden beperkt de neerslag zich tot de namiddag. Dit is kenmerkend voor equatoriale gebieden, omdat de neerslag veelal van convectieve oorsprong is; d.w.z. veroorzaakt door een stijging van de lucht rond de evenaar.
Het kustgebied
Langs de Braziliaanse kust wordt de neerslag veelal vergroot door stuw van de oplandige winden tegen de gebergten. Ook deze neerslag valt meestal tijdens onweersbuien. Behalve in de omgeving van Recife betreft het hier weer meestal zomerregens. Dit geldt ook voor het gehele binnenland.
In Brazilie komen ook friagiemregens voor; in het frontvlak. Deze regens vinden we zo rond de 15 graden ZB. De friagiemregens ontstaan doordat de vochtige warme tropische of equatoriale lucht door de noordwaarts stromende koude polaire lucht wordt opgetild, waardoor condensatie plaatsvindt. De friagemregens duren veelal drie tot vijf dagen aan een stuk door.
Neerslagconcentraties door gebergteligging

Door de ligging van de bergen, treden er in de zomer nog klimaatverschillen op. Door de gebergteligging zijn er gebieden waar er veel meer neerslag is, dan in de andere gebieden. 2 voorbeelden van neerslagconcentraties (300 mm of meer) veroorzaakt door gebergten in Brazilië zijn:

(1) Ten zuid – westen van Manaus; door het Andesgebergte
Volgens de wet van Buys-Ballot heeft wind een afwijking naar links op het zuidelijk halfrond. Voor Brazilië heeft dit als gevolg dat de wind vanuit het Zuidoosten komt. Het gebied ten zuiden van Manaus ligt aan de loefzijde van de Andes. Hier moet dus de lucht stijgen  neerslag

(2) In het Noorden van Brazilie; door het Hoogland van Guyana
De neerslagconcentratie in het noorden van Brazilië bij de ingang van de Amazone richting Suriname; is te wijten aan het Hoogland van Guyana. Dit gebied; dat boven de evenaar – en dus op het Noordelijk halfrond heeft te maken met een Noord Oostelijke wind van zee. Ten (Noord) Oosten van het Hoogland valt veel regen doordat de lucht moet stijgen.







Wind en hoge / lage drukgebieden
Op het uiterste zuiden na ligt Brazilië geheel binnen de keerkringen, zodat het klimaat een duidelijk tropisch karakter heeft. Bepalend zijn daarbij twee hogedrukgebieden: het subtropische hogedrukgebied boven de Grote Oceaan, en dat boven de Atlantische Oceaan, het belangrijkste. Tussen beide drukmaxima vertoont de luchtdruk boven Brazilië een relatief minimum, een door de verwarming boven land versterkt gedeelte van het equatoriale lagedrukgebied. Dit betekent dat de intertropische convergentiezone zich gedurende een groot gedeelte van het jaar boven Brazilië bevindt.
De winden zijn in het binnenland in het algemeen zwak en veranderlijk. Aan de kust overheersen winden uit oostelijke richtingen; ze voeren relatief vochtige en warme lucht aan over zee (braziliestroom). Tussen 10° Z.Br. en de evenaar zijn de winden overheersend oostzuidoost; dit zijn de passaatwinden.
Temperatuur
In het noorden van het land vertonen de temperaturen zeer weinig variatie; verder naar het zuiden neemt jaarlijkse de temperatuur toe, maar blijft toch nog betrekkelijk gering.
De gemiddelde maandelijkse temperaturen zijn dus nergens extreem hoog. Dat geldt ook voor de dagelijkse maxima. Zo is het absolute maximum, dat in de staat Pará (bij Belém) werd waargenomen, 34 °C; door de grote vochtigheid daalt de temperatuur er 's nachts echter nooit tot beneden 18 °C.
Verder naar het zuiden komen echter een enkele maal vrij abrupte afkoelingen voor, wanneer maritiem polaire lucht naar het noorden stroomt. Tijdens dergelijke koude-invallen (friagem) kan op een geografische breedte van 15° Z.Br. de temperatuur in een paar dagen tijd dalen van ruim 30 °C tot slechts even boven het vriespunt. Dergelijke afkoelingen vinden nimmer in het uiterste noorden van het land plaats: de noordwaarts stromende – en daarbij uitvloeiende – koude lucht is in de Amazonevallei meestal nog slechts 500 tot 1000 m dik en haar temperatuur is dan niet meer zo extreem laag. Ten noorden van de 20ste breedtegraad worden deze koude-invallen twee- tot driemaal per jaar waargenomen.
Stelling 4
Het feit dat het Noord Oosten zo onderontwikkelt is, is mede te wijten aan de relatieve ‘verwaarlozing’ van het gebied op nationaal niveau.

Waarom is het Noord Oosten onderontwikkelt?

De economische vooruitgang is regionaal sterk verschillend. Het zwaartepunt ervan ligt in de zuidoostelijke staten Minas Gerais, Rio de Janeiro en São Paulo. Hier ontvangt 40% van de bevolking ruim 80% van het nationaal inkomen.
Noord-, Noordoost- en Centraal-West-Brazilië blijven bij deze ontwikkeling sterk achter. Deze regionaal onevenwichtige groei heeft een grote trek naar de steden van het zuidoosten veroorzaakt.

Wat zijn de oorzaken van de onderontwikkeling van het Noord Oosten?
Je zou ‘samenvattend’ kunnen zeggen dat er 3 belangrijke oorzaken zijn van deze onderontwikkeling van het Noord Oosten:
(1) Het grootgrondbezit; er is een elite rijke mensen die het grootste gedeelte van de grond in bezit hebben. De meeste boeren hebben te weinig land, missen kapitaal om de landbouw te intensiveren. Vaak beschikken ze ook niet over de vereiste kennis voor automatisering en intensivering. De arme massa heeft de kans niet gehad het bedrijf te ontwikkelen, te moderniseren door de instelling van de rijke elite.
(2) Het slechte klimaat. Een groot gedeelte van het gebied: de droogtepolygeen is slecht geschikt voor landbouw. In het droogtepolygeen is de neerslag vaak gering maar ook heel onregelmatig over de jaren verdeeld: het ene jaar geen neerslag; het andere jaar grote stortbuien die tot erosie leidden. Dit alles maakt het moeilijk landbouw te bedrijven.
(3) De relatieve ‘verwaarlozing’ van het gebied op nationaal niveau. Het Noord Oosten heeft de vooruitgang van andere regio’s vergemakkelijkend doordat het vele decennia een expulsiegebied is geweest. Dit betekent: vele mensen trokken vanwege de slechte omstandigheden weg uit het Noord Oosten en waren zo voor andere regio’s goedkope arbeidskrachten. Met deze goedkope arbeidskrachten droeg het Noord Oosten bij in de ontwikkeling van andere regio’s. Die ontwikkeling van andere regio’s werd ook bevorderd doordat een deel van de van de deviezen en kapitaal dat het Noord Oosten verschafte (aardolie) is gebruikt voor de ontwikkeling van deze andere regio’s. Het Noord Oosten beschikt over goede economische mogelijkheden (aardolie winning; bananen; suikerriet; cacao) de opbrengsten komen niet aan de eigen regio ten goede.
Een andere vorm van verwaarlozing op nationaal niveau zijn de investeringen op het Zuid Oosten tijdens de koloniale periode. Men heeft zich vooral ingezet het Zuid Oosten te ontwikkelen. Het Noord Oosten werd hierbij verwaarloosd; deze achterstand heeft het Noord Oosten nooit kunnen inhalen.

Stelling 5
Er is een slechte infrastructuur in de periferie omdat er bijna alleen geïnvesteerd wordt in het centrum.

Wat is centrum?; Wat is het periferie?;
Met het centrum bedoel ik het Zuiden en het Zuidoosten. Dit is het kerngebied van de Braziliaanse economie. Hier is een goede infrastructuur; de diensten sector is goed ontwikkeld; er is goede industrie; sociale voorzieningen zijn redelijk.
Daarentegen; in de binnenlanden en in het Noordoosten is de infrastructuur onvoldoende ontwikkeld. Men heeft altijd geïnvesteerd in het centrum. Al sinds de koloniale periode is alle aandacht naar het Zuiden en Zuidoosten gegaan; redenen:
- Het gebied ligt goed; aan zee
- Aanwezigheid delfstoffen

Men ging niet naar de binnenlanden; vooral de slechte bereikbaarheid (toegankelijkheid) van de periferie leidde ertoe dat alle energie in het centrum werd gestoken en de periferie daarbij verwaarloosd werd.

Omdat men in de koloniale tijd hier alle aandacht op heeft gericht is dit eigenlijk ook altijd zo gebleven. Men bleef investeren in het kerngebied; bijkomende redenen:
- goede arbeidsmarkt
- aanwezigheid havens
- aanwezigheid goede infrastructuur
- aanwezigheid andere bedrijven

In de periferie daarentegen is al dit (m.u.v. delfstoffen) niet aanwezig. Omdat de overheid de vooral haar aandacht op het centrum richt zal de infrastructuur; en dus de dienstensector en de industrie in de periferie niet op gang komen.

Slechte infrastructuur  Lage investeringen  geen start ondernemingen  infrastructuur wordt niet ontwikkeld.

Wat doet de overheid om de situatie te verbeteren?

Nu doet de overheid wel haar best om met investeringen op de periferie de infrastructuur in de periferie te verbeteren; zodat bedrijven zich er gaan vestigen. Aan bedrijven worden ook subsidies gegeven. Toch zal het nog lang duren voordat het Noordoosten en de binnenlanden de achterstand in zullen halen.
Om de economische en sociale ongelijkheid tussen het achtergebleven noordoosten en de rest van het land te verminderen, zijn door de overheid omvangrijke steunmaatregelen voor de industriële sector uitgevaardigd (o.a. belastingfaciliteiten en gunstige kredietvoorwaarden voor investeerders) en werd in 1959 SUDENE, een regionale overheidsinstelling, opgericht. De door deze instelling opgestelde plannen betreffen vooral de infrastructurele ontwikkeling, de verbetering van de gezondheidszorg en het onderwijs en de bevordering van de industrie. Ze betreffen in mindere mate de landbouw. Voor de ontsluiting van het Amazonebekken werd van overheidswege SUDAM opgericht. Tot haar taken behoort o.a. de kolonisatie van het gebied langs de Transamazônica en het ontwerpen van plannen voor het rationeel benutten van het bosbestand. Brazilië sloot met het oog op het laatstgenoemde in juli 1978 een verdrag met Bolivia, Colombia, Ecuador, Guyana, Peru, Suriname en Venezuela, het zgn. Amazone-pact. De nadruk ligt hierbij op gezamenlijke projecten op het gebied van waterkracht- en infrastructurele werken en het behoud van de in het gebied aanwezige grondstoffen.

Verkeer / infrastructuur
Het luchtverkeer is van grote betekenis. Het binnenlandse luchtnet behoort tot het dichtste ter wereld met ruim 1500 luchthaven(tje)s. Voor het intercontinentale verkeer zijn vooral de luchthavens van:
Rio de Janeiro (Galeão, met accommodatie voor supersonische vliegtuigen), São Paulo (Viracopos, bij Campinas), Recife en Porto Alegre van belang.
De spoorwegen hebben slechts een totale lengte van ruim 30000 km, waarvan de exploitatie in 1996 is geprivatiseerd. De meeste Brazilianen geven de voorkeur aan reizen met het busvervoer, dat in de dichter bevolkte gebieden van het land uitstekend is.
Het wegennet omvat ca. 1,5 miljoen km, waarvan slechts 71!000 km geasfalteerd is. Ter ontsluiting van het binnenland wordt o.m. de meer dan 5000 km lange Transamazônica die van de Atlantische Oceaan tot de Peruaanse grens loopt, aangelegd.
De binnenvaart heeft aan bevaarbare rivieren ca. 50!000 km ter beschikking. De Amazone is voor zeeschepen tot 5000 brt bevaarbaar tot Manaus. De zeescheepvaart concentreert zich op de grote havens Rio de Janeiro, Santos, Rio Grande en Paranagua; kleinere havens zijn die van Belém, Recife, Salvador, Florianópolis en Porto Alegre.

Om de economie van Brazilie goed te ontwikkelen zal nog flink moeten worden geinvesteerd in de infrastructuur
Stelling 6
De Braziliaanse overheid probeert met geleend geld de infrastructuur o.a. ten gunste van de industrie te verbeteren maar komt hierdoor financieel in de problemen

Redenen van leningen
In de naoorlogse periode heeft Brazilië aanzienlijke buitenlandse leningen afgesloten om de groei van de economie te stimuleren en daarbij niet alleen aangewezen te zijn op de beperkte binnenlandse besparingen. Grote hoeveelheden kapitaal waren nodig voor de realisering van enkele kostbare projecten voor toekomstige vooruitgang:
(1) De bouw van de Itaipu- en Tucurui-dam; voor de opwekking van elektriciteit (hydrocentrale)
(2) De bouw van een kerncentrale; ook voor de opwekking van elektriciteit
(3) De aanleg van de spoorlijn Serra dos Carajas-Sao Luis; ter verbetering van de infrastructuur
(4) De uitbreiding van de mijnbouw in het Amazone gebied
(5) Transamazonica; ter vergroting van de toegankelijkheid van de amazone

Waarom ontstonden financiële problemen?
Een groot deel van de leningen vond plaats in de jaren dat het met de wereldeconomie slecht ging. Brazilië rekende er echter op dat het zonder al te grote problemen in staat zou zijn de uit deze leningen voorkomende verplichtingen (interest en aflossing) na te komen.
Dit viel echter tegen om verschillende redenen:
(1) voortdurend hoog blijven van de olieprijzen; er moest veel olie ingevoerd worden omdat de olieproductie nog niet geheel op gang was
(2) prijsstijgingen bij enkele andere in te voeren producten
(3) de langer aanhoudende inzinking van de wereldeconomie en daarmee samenhangend ongunstige prijzen voor grondstoffen op de wereldmarkt
(4) diverse importbeperkingen van de industrielanden

Door al deze tegenvallers stagneerde de economie van Brazilië en werd het steeds moeilijker de rente over de buitenlandse schulden af te betalen. Er moesten nieuwe leningen worden afgesloten om op tijd de oude te kunnen aflossen of om op zijn minst de rente over deze leningen te voldoen.

Op een gegeven moment kon Brazilië niet meer aan haar verplichtingen voldoen; in 1987 werden bij particuliere banken gemaakte schulden van 68 mld. Dollar opgeschort.
Dus: door de investeringen, nam de staatsschuld zodanig toe dat Brazilië niet meer aan zijn verplichtingen kon voldoen. Brazilië ging geld bijdrukken wat tot inflatie leidde.
De Braziliaanse overheid kwam om de inflatie tegen te gaan met een nieuwe munteenheid: de Cruzado; om de economie te herstellen. Dit mislukte echter: weer inflatie. Doordat de koers van de Cruzado bleef stijgen, stagneerde de export. De lage exportcijfers leidden tot een tekort op de handelsbalans. Het verlies van de overheid bleef hierdoor stijgen.

Financiële problemen in de toekomst
Nu is Brazilië dan ook het (ontwikkelings)land met de hoogste staatsschuld. Dat dit nadelig is mag blijken:
 De rente en aflossing over de staatsschuld moeten worden voldaan: belastingverhoging; lagere winsten ondernemingen; minder investeringen;






Economie algemeen

De Staat
De enige zekerheid in de Braziliaans economie is zijn onzekerheid. Er waren vaak spanningen in Brazilië door het ontbreken van een effectief en onpartijdig politie- en justitieel apparaat. Scholing en gezondheidszorg waren alleen weggelegd voor de welgestelde burgers. En dit is vaak nog steeds zo, ondanks de verbeteringen in de loop der jaren. Het was allemaal mede oorzaak van de slechte staat van de economie in 1985. Ook kan het worden toegeschreven aan het ontbreken van een gezond economisch beleid. Brazilië was in 1985 in veel opzichten een armzalig land en zat financieel volledig aan de grond. De overheidsfinanciën waren volledig uit de hand gelopen, de inflatie bereikte torenhoge niveaus en de buitenlandse schuld was allang niet meer beheersbaar. Het democratisch gekozen president en parlement mochten dit probleem verder oplossen.
Sarney was de grondlegger van het eerste stabilisatieplan van Brazilië, het Cruzado plan, dat niet het gewenste effect had. De opvolgers van Sarney; Collor en Franco slaagden er ook niet in de economie te stabiliseren.
Pas onder de huidige president, Cardoso die het Plano Real opzette en uitvoert, lijkt het alsof de economie een beetje is gestabiliseerd. Jammer genoeg gaan deze plannen gepaard met sociale spanningen. Liberalisering van de handel, het bezuinigingen op overheidsuitgaven en het privatiseren van staatsbedrijven geven de gemiddelde Braziliaan niet meteen een gevoel van zekerheid en vertrouwen in de toekomst. Armoede is in het hele land verspreid en de toegang tot voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg is voor een groot aantal Brazilianen beperkt. Daar komt nog bij dat de politieke situatie in Brazilië complex is. De president wordt gekozen voor een periode van vier jaar. Het parlement bestaat uit twee kamers, het Huis van Afgevaardigden (513 zetels) en de Senaat (81 zetels). De leden van het parlement worden niet gekozen via een landelijke lijst maar via deelstaatlijsten. Daardoor offert de politicus vrij makkelijk de landelijke belangen op voor de belangen van zijn thuisstaat. Ook is het conservatieve platteland oververtegenwoordigd en dat is niet bevorderlijk voor de investeringen en hervormingen. Het is opvallend dat de militairen zich niet alleen hebben teruggetrokken uit de kazernes, maar ook de bezuinigingen op defensie-uitgaven hebben geaccepteerd. Die bezuinigingen waren fors: Van 9% in 1985 naar nog geen 2% in 1995.

Plano Real
Het Plano Real is het laatste stabilisatieprogramma en werd in 1994 afgekondigd door Cordosa. Het programma moet er voor zorgen dat de inflatie wordt beperkt. Voor dit plan moesten wel een aantal dingen gebeuren:
· de kredietverlening werd beperkt
· prijzen werden niet meer vastgesteld (geliberaliseerd)
· de nieuwe munt werd aan de dollar gekoppeld
Er werden maatregelen genomen om de overheidsfinanciën te saneren, staatsbedrijven te privatiseren en de toegang tot de Braziliaanse markt te verbeteren. De resultaten van het Plano Real waren boven verwachting. De inflatie was eind 1994 teruggedrongen tot 1% per maand, terwijl eerder in dat jaar er nog percentages waren van 50% per maand. Ook begon de economische groei zich te herstellen en kwam het percentage in 1994 uit op 5,8. Maar dat was weer teveel en trok de inflatie juist aan.

Het ontwikkelingsniveau
In een aantal opzichten kan Brazilië zich meten met de ontwikkelde OESO-landen. In het ontwikkelde zuiden rond de grote steden São Paulo en Rio de Janeiro is er een inkomensniveau dat doet denken aan ontwikkelde landen. Maar in veel meer opzichten is Brazilië vooral een ontwikkelingsland. Vooral op het platteland kan de bevolking weinig gebruik maken van de voorzieningen zoals riolering, schoon water, gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs. Hierdoor is er een lage levensverwachting en veel analfabeten. Ook de grote tegenstelling tussen arm en rijk is een teken dat de ontwikkeling van vooral het Braziliaanse platteland achtergebleven is. Met een BBP van ongeveer 3000 dollar en 5500 dollar in koopkrachtcapaciteit in 1994 behoort Brazilië nog net tot de groep landen met een middeninkomen.
Anderen factoren die een rol spelen zijn de stand van de fysieke en sociale infrastructuur. Elk jaar brengen de World Economic Forum (WEF) en het International Institute for Management Development (IMB) een rapport uit waarin de concurrentiekracht van landen wordt vergeleken. Het ontbreken van hoogwaardige transportverbindingen in Brazilië en met de buitenwereld, wordt door het Braziliaanse bedrijfsleven als een belangrijke factor voor het achterblijven van de economische ontwikkeling beschouwd. Dat geldt ook voor de andere Latijnsamerikaanse landen. Daarbij gaat het niet alleen om de hoeveelheid van de voorzieningen, maar ook om de kwaliteit daar van. Soms zijn verbindingswegen bepaalde periodes van het jaar helemaal niet bruikbaar, wat vaak een oorzaak is van achterstallig onderhoud. Havens werken inefficiënt en ook de elektriciteitsvoorziening wil nog wel eens uitvallen. Op papier zijn alle in de geïndustrialiseerde wereld alle gebruikelijke instellingen wel aanwezig. Er is een Centrale Bank, een toezichthouder op de beurs, een sociale dienst en een controleur die het onderwijs en de gezondheidszorg controleert. Het probleem in Brazilië is dat deze vaak niet goed functioneren. Ook is corruptie een groot probleem in deze instellingen. . Een groot sociaal probleem in Brazilië is de armoede. De rijkste 20% van de bevolking verdient 70% van het inkomen; de armste 20% verdient 2%. Het is zo erg gesteld dat meer dan 40% van de bevolking niet in staat is zich van de minimale levensbehoeften te voorzien. Op het platteland is die situatie het schrijnendst; de aanwezigheid van basisvoorzieningen ontbreken hier vaak.

De industrie
Een belangrijk deel van de industrie is in de handen van de staat. De industrie in Brazilië produceerde vooral voor eigen markt, want er was geen buitenlandse concurrentie waar ze toch niet tegen opgewassen waren. De industrie kwam goed op vanaf 1939. Door de 2e wereldoorlog was er een groot tekort aan fabrieksgoederen, (kapitaalgoederen en consumptiegoederen) die 'dwongen' Brazilië om zelf eens zulke producten te maken. Staal is de basis van veel moderne industrielanden en de eerste staalfabriek is gebouwd in 1940 in Rio de Janeiro. Dit was een grote prestatie en een belangrijke grondlegger van de toekomstige industriële groei. In 1955 breidde president Kubitschek de industrie uit. Buitenlandse autofabrikanten waren uitgenodigd om in Brazilië te produceren, de oliemaatschappij van de staat ging olie produceren en de staalindustrie werd gestimuleerd. Die stimulering duurde tot en met de jaren '60 en '70. Maar toen verschenen de eerste problemen. De meeste van de economische activiteiten zoals het aanleggen van hydrocentrales, watervoorraden en infrastructuur, waren gefinancierd met buitenlands geld en daarvan was de rente plotseling gestegen, zodat Brazilië dat niet meer kon betalen. Ook in andere Latijnsamerikaanse landen was de situatie verslechterd.
In de jaren negentig is de Braziliaanse industrie er weer bovenop gekomen en de productie van vliegtuigen, auto's, vrachtwagens, tractors, elektronische benodigdheden en de textiel laten een goed resultaat zien. Nu doen vooral staal, transport cement en bouwkunde het goed. Tijdens de jaren '70 en '80 waren bijna al de staalfabrieken in de handen van de staat, maar ze werden gefinancierd door buitenlandse leningen. Tussen 1991 en 1993 zijn ze alle acht geprivatiseerd. Ook de havens en wegens zullen morden geprivatiseerd. Het succes van de jaren negentig is toch wel de auto-industrie. In 1994 werden 1.6 miljoen auto's en vrachtwagens geproduceerd. Ze rijden veel zuiniger.
De petroleum en de petrochemische industrie zijn in de jaren '70 – toen de olieprijs sterk gestegen was – snel gegroeid. Brazilië heeft haar olieproductie verdrievoudigd en het raffineert nu de olie. De kunstmest- en de plasticindustrie kunnen nog steeds niet aan de vraag voldoen. De ijzer- en staalindustrie bevinden zich voornamelijk in Minas Gerais, de olie- en gasvelden rondom Rio de Janeiro en de auto-industrie zit voornamelijk in grote steden met veel inwoners zoals Rio de Janeiro en São Paulo (zie Figuur B op de volgende pagina). Het industriebeleid in Brazilië is er nu op gericht de productiecapaciteit en de afzet op de buitenlandse markten te vergroten, door technologische vernieuwingen en door privatisering van verschillende staatsbedrijven. Het industriebeleid richt zich op de volgende doelen: (uit: Ministerie van Economische Zaken).
· het realiseren van een goed vestigingsklimaat
· verbeteren van de concurrentiepositie en de technologische ontwikkeling van Braziliaanse bedrijven
· stimuleren van de export
· herstructurering van industriële sectoren die onvoldoende concurrentie vermogen hebben
· aandacht voor regionale industrialisatie
· vergroten van het milieubewustzijn

Speciale aandacht is er voor de auto-industrie en aan de computerindustrie. De meeste winst wordt verwacht in de voedselverwerkende industrie en de industrie die met de mijnbouw samenhangt.

Dienstensector
Zoals in de meeste landen is de dienstensector ook in Brazilië de belangrijkste sector. De grootste sectoren zijn de overheidsdienstverlening gevolgd door financiële dienstverlening en de handel. De financiële sector heeft zich moeten aanpassen aan het plan Real (verderop beschreven). Het grootste probleem is dat men gewend was in een situatie te werken met torenhoge inflatiepercentages en de daarbij komende even hoge rentestanden. Nu de inflatie is teruggebracht naar een normale hoeveelheid, loopt men tegen slechte leningen aan, een van de oorzaken daarvan is, is dat de inflatie veel naar beneden toe is bijgesteld. Het zijn vooral de overheidsbanken die in de problemen zijn gekomen. Lenen blijft duur en sparen levert bijna niets op. Lenen is duur om verschillende redenen. Ten eerste omdat er nogal belastingen over de verstrekte lening betaald moeten worden. Ten tweede omdat de banken over weinig geld beschikken dat ze uit kunnen lenen. Ten derde omdat de Braziliaanse banken veel zekerheid eisen.


Kapitaalverkeer en buitenlandse schuld
Sinds de Braziliaanse economie weer wat aantrekkingskracht heeft gekregen, zijn ook de buitenlandse investeerders teruggekeerd. In 1995 werd voor $4,8 miljard direct geïnvesteerd, voornamelijk in de auto- en chemische industrie. In de jaren zeventig en tachtig heeft het land een grote schuld opgebouwd. In 1982 bedroeg de buitenlandse schuld 97 procent BBP. Deze schulden waren niet allemaal te financieren en Brazilië moest vaak met de schuldeisers om de tafel zitten. In 1996 bedroegen de buitenlandse schulden nog ongeveer $157 miljard (Figuur E). Dat is 33 procent van het BBP. Hoewel Brazilië er nu duidelijk beter voorstaat dan zo'n 15 jaar geleden, is het duidelijk dat voorlopig nog lang niet alle zorgen voorbij zijn.





Stelling 7
De urbanisatie verbetert de positie van de sociaal zwakken nauwelijks

Redenen van urbanisatie

Begin 20e eeuw is de Braziliaanse bevolking is enorm gegroeid. Redenen:
a) Hoge immigratie; tussen 1884 en 1964 hebben zich in totaal ongeveer 5 mln. Mensen in Brazilië gevestigd waarvan de helft uit Portugal en Italië De andere helft is afkomstig uit andere Europese landen en Japan. De meeste van hen arriveerden voor de tweede wereld oorlog.
b) Hoge bevolkingsgroei doordat terwijl het geboortecijfer hoog bleef terwijl de sterftecijfers daalden (door verbetering en uitbreiding medische voorziening)

De familie boerenbedrijfjes hadden problemen. Door toenemende groei van de bevolking moesten de bedrijfjes worden opgesplitst. Veel van deze kleine bedrijven konden de concurrentie niet meer aan. Men stopte en ging urbaniseren; men trok naar de steden.
Een andere reden van urbanisatie was de hoop dat er in de stad werk te vinden was. Men hoopte dat er in de stad een beter bestaan mogelijk was.

Geen verbetering positie
Velen trokken naar de steden (urbanisatie), maar dit verbeterde hun positie niet of nauwelijks. Vaak werd hun positie alleen maar verslechterd. Wie van het platteland naar de stad trekt, heeft geen opleiding gehad. Zonder vooropleiding was het in de steden moeilijk een baan te vinden. De banen waarvoor geen vooropleiding nodig was waren vaak moeilijk te vinden en bovendien slecht betaald. Bovendien was het moeilijk woonruimte te vinden.

Overconcentratie in het stedelijk milieu
In het stedelijk milieu is er sprake van overconcentratie. Doordat er een steeds grotere concentratie ontstond van werkzoekenden, zag een toenemend deel van de stedelijke bevolking zich genoodzaakt genoegen te nemen met allerlei laag betaalde vormen van arbeid. Ook op het gebied van industrie is er een overconcentratie in het centrum; er zijn milieuproblemen; lucht en watervervuiling.
Door de urbanisatie kwamen de steden steeds voller; er was onvoldoende groen; en er kwam een gebrek aan woonruimte en veel mensen vestigden zich in de zogenaamde favelas; krottenwijken.

De situatie nu
In de kustgebieden van het noord- en zuidoosten en het zuiden woont op iets meer dan eenderde van de oppervlakte ca. 90% van de totale bevolking. Het Amazonegebied en het westen daarentegen hebben een bevolkingsdichtheid van resp. 1 en 2, 9 inw. per km2. Er is sprake van een voortschrijdende urbanisatie: 77% van de bevolking woont in de steden, waarbinnen vooral de krottenwijken (favelas) zich snel hebben uitgebreid. De grootste stedelijke gebieden zijn São Paulo (15,3 miljoen inw.) en Rio de Janeiro (10,2 miljoen inw.).
Algemene informatie Urbanisatie

Stedengroei en verstedelijking
Tegen het jaar 1600 telde Latijns Amerika zo'n honderdzestig- tot tweehonderdduizend inwoners van Europese afkomst, ca. 7.5 miljoen Indianen en dertig- tot vijftigduizend uit Afrika afkomstige slaven. Omstreeks 1800, aan het eind van de koloniale periode, leefden er zo'n twintig miljoen mensen. In de periode daartussen was het stedelijk netwerk door elkaar geschud. Tal van mijnbouwcentra hadden te lijden gehad van functieverlies en was tot stilstand gekomen. Daarnaast waren er nieuwe bestuurs- en handelscentra opgekomen. Toch waren de meeste steden rond 1800 nog vrij klein. Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw wisten de hoofdsteden zich steeds meer voor te kunnen doen als middelpunten van politieke en economische macht. Volgens sommigen zouden ze hierdoor een groot deel van de stedelijke groei voor zich hebben kunnen opeisen. De politieke onafhankelijkheid zou het ontstaan van primate cities, die karakteristiek zijn voor het Latijnsamerikaanse stedelijk netwerk, hebben gestimuleerd. Maar ook andere steden wisten te profiteren van de nieuwe mogelijkheden.
Vanaf ongeveer 1870 kwam de stedengroei in stroomversnelling, onder andere gesteund door aanzienlijke buitenlandse investeringen in de infrastructuur, industrie en handel kwam een grootschalige agrarische en minerale export op gang. In de steden kwamen dus spoorwegen en telegraaflijnen, daar bevond zich de elite, daar bloeiden het handels-, bank- en verzekeringswezen en daar werd de opkomst van de industrialisatie voor de binnenlandse en buitenlandse markt gestimuleerd. Voor de vorming van primate cities is de economie vermoedelijk belangrijker geweest dan de politieke onafhankelijkheid.
Het aantal steden is met meer dan 15,000 inwoners meer dan verdubbeld is, terwijl de omvang van de stedelijke bevolking meer dan verviervoudigd was. 'Traditionele' steden, die nog op de koloniale tijd teerden, hadden heel wat terrein verloren.
Anno 1900 hadden de lagen de metropolen qua grootte achter op de Verenigde Staten en Canada. In deze eeuw is de toename van de stedelijke bevolking nog steeds erg groot. Rondom de jaren '30 en in de periode 1970-1975 was er zelfs een versnelling van die groei te zien. De groei van de primate cities was niet tegen te houden; niet door decentralisatiemaatregelen en ook niet door pogingen om de trek naar de stad te verkleinen of de mensen te 'leiden' naar de wat kleinere steden. Het naoorlogse verstedelijkingsproces werd vooral gekenmerkt door een sterke groei van de middelgrote en de grote steden. De positie van kleinere steden, tussen de honderd- en vijfhonderdduizend inwoners, verslechterde met de tijd. Hoewel het aantal kleine steden snel toenam, sommigen haalden soms zelfs extreem hoge geboortecijfers, werd het aandeel van kleine steden in de totale urbane bevolking.

Migratie
In de jaren zestig en begin jaren zeventig was een belangrijke rol weggelegd voor de stad: de opvang van ruraal-urbane migratie. De infrastructuur werd verbeterd . Door de verbeterde machines, de bijna moordende cocurrentie en de bezitsverhoudingen op het platteland, trokken de boeren naar de stad in de hoop daar werk te vinden. Zij kwamen bijna altijd terecht in de favelas en moesten genoegen nemen met een baan als schoenenpoetser of sigarettenverkoper. Met de komst van het toerisme verkopen ze ook vaak ballonnen of knuffels.

De trek naar de stad is nog steeds een belangrijke reden van de toename van de stedelijke bevolking, maar de natuurlijke bevolkingsgroei gaat een steeds belangrijkere rol spelen. De migratie verschoof van zo'n 60% in de jaren zestig , naar 40 à 45% aan het einde van de jaren tachtig.

Bouwen en wonen
De massale migratie naar en de natuurlijke aanwas van de bevolking in de steden hebben geleid tot een grote druk op de arbeids- en woningmarkten. Ondanks hun zwakke positie in de maatschappij weten de meeste arme stadsbewoners onderdak te vinden. Meestal in de volksbuurten. In het begin wonen ze in bij familie of vrienden of huren ze enkele kamers. Na het huwelijk wonen nog veel jonge mensen in bij hun ouders. Ook migranten gaan bij familie wonen als dit mogelijk is. Vroeger kwamen de armen, die in een stad woonden, terecht in de vervallen binnensteden, maar dat is steeds minder gebruikelijk.
Sinds er in de steden op grote schaal zelf volksbuurten worden gebouwd, is ook de huursector uitgebreid. Veel huishoudens die een eigen onderkomen hebben gebouwd - aan de rand van de stad of langs spoorwegen - zijn overgegaan op de verhuur van één of meer kamers aan woningzoekenden. Voor de vele mensen met een laag inkomen die later een eigen huis willen, is dit natuurlijk een ideaal begin.
Voor iedereen in Braziliaanse steden is het een droom om ooit een eigen huis te bezitten. Dat geldt dan ook voor alle inkomensgroepen. Vreemd genoeg zijn het de mensen met de lagere inkomens die dit weten te realiseren. Dit komt doordat armen veel sneller genoegen moeten nemen met een huis dan de rijkeren. De irreguliere grond- en woningmarkt is meestal de enige mogelijkheid voor de armen. Afhankelijk van de aard van de grond- en woningmarkt in de steden zullen de armen uiteindelijk vaak terechtkomen in de nieuwe, in het buitengebied gelegen wijken. Ook wel favela genoemd.
Dit zijn wijken die de overheid niet altijd accepteert en die de overheid tot en met de jaren '60 platwalste met een bulldozer. Maar omdat de vraag naar woningbouw groter is dan het aanbod, heeft de overheid de favela's enigszins gedoogd. Het biedt niet alleen de bewoners zelf, maar ook de lokale overheden een goed alternatief. In de volksbuurten vindt bijna overal een verbetering plaats. De bewoners kunnen een sterk gevoel van woonzekerheid krijgen door voorzieningen in de buurt aan te leggen, de inning van onroerendgoedbelastingen en de verschaffing van werkvergunningen, zonder dat ze over de juiste papieren beschikken.
Als er een redelijk niveau van woonzekerheid in een buurt aanwezig is, wordt er vaak geïnvesteerd in de woningbouw. Eerst nog erg kleine en lelijke bouwsels worden langzaam maar zeker steeds mooier en bewoonbader. Ook de indeling wordt steeds functioneler. De nieuwe ruimten hebben een bepaalde bestemming. Zo krijgen de keuken, studeerkamer en slaapkamer een eigen ruimte. Tegelijkertijd worden de oude bouwmaterialen vervangen door materialen die duurzamer zijn. Ook worden steeds meer voorzieningen in de huizen aangelegd. De mensen hebben op deze manier meer privacy. Een ander voordeel is dat ze een aantal kamers kunnen verhuren of gebruiken als winkel, zodat ze er ook nog wat aan kunnen verdienen. De volksbuurtbewoner bouwt met de bedoeling zelf in het huis te gaan wonen. Men denkt dat de zelfbouw de voordeligste methode is om de droom van een eigen huis te realiseren, maar de vraag is of het wonen in een al bestaande woning in de stad niet veel goedkoper is, mits er voldoende eigen geld is natuurlijk. Het grote voordeel van zelfbouw is dat de kosten worden verspreid. Behalve de aankoop van een perceel en de aanschaf van bouwmaterialen.

Straatkinderen
Een toenemend aantal jonge mensen zoekt een beter leven op de straat. Volgens een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie is bijna 100% van de straatkinderen in Rio de Janeiro aan de drugs en heeft 55% van hen al eens geprobeerd zelfmoord te plegen.
Uitbuiting van kinderen is een groot probleem in Brazilië. Brazilië heeft het op één na hoogste aantal minderjarigen dat in de kinderprostitutie werkt ter wereld. Van de zeven tot twaalf miljoen straatkinderen, werken een half miljoen meisjes onder de 19 jaar als prostituée. Sommige kinderen worden door hun ouders gedwongen te bedelen of snoep te verkopen en het geld aan hen terug te geven.
In de meeste gevallen zijn de levensomstandigheden van de Braziliaanse kinderen van een zeer laag niveau. De medische voorzieningen schieten tekort. Slechte voeding is de belangrijkste reden van sterfte onder baby's en kleine kinderen.
Stelling 8:
Bij de exploitatie van het regenwoud wordt het ecologisch systeem onnodig verstoord; dit leidt uiteindelijk tot steppevorming

Hoe gebeurt de exploitatie?
De exploitatie van het regenwoud gebeurt op twee manieren:
a) hout kap; grote gedeelten van het regenwoud worden gekapt voor hout winning
b) plat branden; om landbouwgebieden te maken

Wat is het ecologisch systeem en waarom wordt dit verstoord?
Het ecologisch systeem is de kringloop van boom en plant. Het regenwoud is het oudste ecologisch stelsel ter wereld. Het is rijk aan organismen; maar ondanks deze rijksdom leeft het woud op een zeer voedselarme bodem. Het bos moet zijn eigen voedselketen in stand houden.
Bij grootschalige kap wordt de kringloop doorbroken c.q. verstoord. Het oerwoud zal dan minder kooldioxide uit de lucht kunnen opnemen. Er wordt dan dus ook minder zuurstof en vocht omgezet. Dit houdt in dat er onvoldoende zuurstof in de lucht komt en een teveel kooldioxide. Men noemt het tropisch regenwoud (dus ook het amazonegebied) niet voor niets de longen van de aarde.
Door het kappen van het regenwoud, zal na enkele jaren de bodem ongeschikt zijn voor landbouw. Het is een voedselarme bodem. De vruchtbaarheid van de grond neem snel af; de boer dan genoodzaakt weer een nieuw stuk bos te kappen

Waarom wordt het systeem onnodig verstoord?
(1) Het grootschalig kappen is niet nodig. Als men op kleine schaal kapt; en weer opnieuw een beplant; zoals de indianen het al jaren doen; dan wordt het ecologisch systeem niet verstoord. Voor de gekapte bomen komen dan weer nieuwe bomen terug.
(2) Bij de houtkap van één waardevolle hardhout boom, moeten de houtmaatschappijen bijna een halve hectare bos kappen:
- om de boom te bereiken
- om de boom te vervoeren
In de amazonebekken wordt op deze manier iedere minuut van de dag 25 hectare bos onnodig verwoest.
(3) De opbrengst per hectare is hoger als je de grondstoffen: noten, rubber etc. gaat exploiteren c.q. verbouwen. Landbouw bedrijven is dus eigenlijk onnodig en minder winstgevend.

Hoe leidt exploitatie tot steppevorming?

Een steppe ontstaat op plaatsen waar niets meer gaat / wil groeien.

Een steppe is een formatie die uit boomloos grasland bestaat, gewoonlijk ten gevolge van een klimaat dat te droog is om een ontwikkeling tot bos mogelijk te maken; veelal zal de klimaatsverdroging gevolg zijn geweest van een ontbossing door de mens en was de steppevorming een secundair verschijnsel.
Zo ook hier: door het regenwoud te exploiteren voor de landbouw ontstaat naar enkele jaren een dor en droog stuk land omdat de bodem van het tropisch regenwoud onvruchtbaar is. Er ontstaat een steppe door de exploitatie.






Algemene informatie Amazone

Een bedreiging voor de wereld
De vernietiging van de regenwouden is misschien wel de grootste bedreiging die de wereld ooit heeft gekend. Door ontbossing, die veroorzaakt wordt door primitieve landbouw, houtwinning, veeteelt, mijnbouw en de aanleg van stuwdammen en wegen, kunnen de wereldwijde gevolgen verschrikkelijk zijn: overstromingen, erosie, woestijnvorming, verzilting en grote klimaatveranderingen. Dit probleem is zo onvoorstelbaar dat de meeste mensen het ontkennen.

Het leven in het regenwoud
Het grootste deel van het leven in het regenwoud speelt zich af in de kruinen van de bomen die soms wel 60 meter hoog zijn. Door de takken en lianen is er een unieke verscheidenheid aan planten en dieren.
Op de grond is het regenwoud vrij open, maar ook erg donker. Slechts vijf procent van het licht dringt door.
Er is een grote variëteit aan boomsoorten, het Amazonegebied telt honderden soorten, terwijl het gematigd klimaat van Europa of Noord-Amerika hooguit vijftien verschillende soorten kent.

Voedselketen
Bladeren en andere plantaardige en dierlijke resten die in het regenwoud op de grond terechtkomen, worden zeer snel door bacteriën en schimmels afgebroken. Waardoor het afval in organische grondstoffen wordt omgezet die door de planten meteen weer worden opgenomen.
In de brandende zon regelt het woud zijn eigen klimaat door het zonlicht en de wind buiten te sluiten en de warmte en vochtigheid vast te houden. Regenwouden worden ook wel ‘gesloten wouden’ genoemd, omdat ze hun eigen vochtigheid op peil houden door een proces van ‘transpiratie’, waarbij planten kooldioxyde opnemen en zuurstof en vocht afscheiden. Meer dan de helft van de regen die in de Amazone valt, is afkomstig van vocht dat het zelf heeft geproduceerd. De voedselketen in het regenwoud is zeer complex en erg kwetsbaar. Als het bos wordt gekapt of platgebrand voor de landbouw, neemt de vruchtbaarheid van de grond snel af en is de boer na enkele jaren ‘gedwongen’ een ander stuk bos te kappen en de kale grond wordt overgenomen door veeboeren.

Primitieve landbouw
In het Amazonegebied doen de Indianen al duizenden jaren aan landbouw op basis van kaalkap. Maar omdat zij het evenwicht van het woud kenden, gebeurde dat op zo’n kleine schaal dat het oerwoud altijd weer terugkwam en zich verjongde als zij een volgend stuk bos kapten en platbrandden.
Tegenwoordig wordt kaalpak op veel grotere schaal toegepast. Het zijn meestal arme boeren die op deze manier het woud geschikt maken voor de landbouw. Kaalkap is op dit moment de belangrijkste oorzaak van de vernietiging van het regenwoud in Brazilië. Elk jaar gaat op deze manier ongeveer acht miljoen hectare regenwoud verloren.
In Brazilië is er een ongelijke verdeling van de beschikbare landbouwgrond; een heel klein percentage van de bevolking heeft de beschikking over een zeer groot deel van het land. Vaak met medewerking van de nationale regeringen en internationale organisaties als de Wereldbank worden de armen uitgekocht of van de vruchtbare gronden verdreven, waarna ze letterlijk het bos worden ingestuurd met de valse belofte dat daar grond te vinden is.

De houtverwerkende industrie
Houtwinning is de tweede belangrijke oorzaak van de ontbossing in de tropen. Veel hout wordt gewoon als brandhout of houtskool gebruikt, omdat het goedkoper is het regenwoud te kappen dan nieuwe percelen aan te leggen. Het hardhout uit het Amazonegebied wordt echter ook door geïndustrialiseerde landen bij de huizenbouw gebruikt. Bijna de helft van de totale jaarlijkse productie aan tropisch hout gaat naar Japan. West-Europa komt op de tweede plaats. Ook de verwerking van tropische houtsoorten in de papierindustrie is de afgelopen vijftig jaar dramatisch gestegen.
Houtwinning in het Amazonegebied zou een ‘gezonde’ bedrijfstak kunnen zijn, maar niemand houdt zich aan de voorschriften, als die er al zijn. Zo sneuvelen bij het kappen van één hardhoutboom vaak nog twaalf andere bomen. En maar liefst een derde van het aantal bomen wordt alleen gekapt om ruimte te maken voor de wegen en paden van de houtmaatschappijen. Bovendien worden hierdoor weer nieuwe delen van het woud bereikbaar voor de boeren, die het recht hebben zich elk stuk grond toe te eigenen dat nog niet in het bezit van iemand anders is.

Hamburgers
De kale grond in het regenwoud die niet langer geschikt is voor landbouw, wordt voor veeteelt gebruikt. Het aandeel van de veeteelt is gestegen tot 72 procent (1989). Het rundvlees gaat voornamelijk naar de fast-foodketens in de Verenigde Staten, waar het in hamburgers wordt verwerkt. Als de veehouders meer land nodig hebben, verdrijven ze de boeren soms met geweld. Tegen de tijd dat de grond is afgegraasd, is er alleen nog zand over en is het ‘produktiefste biologische systeem ter wereld’ in een dorre woestenij veranderd.

De gevaren van de mijnbouw
De mijnbouw in de Amazone richt grote schade aan, niet alleen aan het milieu, maar ook aan het sociale klimaat. Brazilië beschikt over de grootste ijzerertsvoorraden ter wereld, die zich in het oostelijk deel van het Amazonegebied bevinden. Voor de smeltovens is houtskool nodig, die volgens de wet alleen uit nieuw aangelegde percelen mag komen, maar in werkelijkheid voor 90% uit het regenwoud komt, omdat er nauwelijks controle is.
Ook belangrijk is dat er zo’n half miljoen mensen in het woud naar goud zoeken. Brazilië is in omvang de vijfde goudproducent ter wereld. En de Braziliaanse goudkoorts neemt nog steeds toe door de werkeloosheid en de armoede. Nu wordt zelfs al over de grenzen naar goud gezocht.
In totaal zijn vijf miljoen mensen bij deze goudkoorts betrokken, met ernstige gevolgen voor het milieu. Ook al is het verboden, toch wordt kwik gebruikt om het goud uit het rivierslib te winnen, waardoor in dorpen langs de rivier kwikvergiftiging wordt geconstateerd. Internationaal gezien was de goudwinning in het Amazonegebied in 1988 verantwoordelijk voor twaalf procent van de kwikuitstoot in de atmosfeer.

De cocaïnehandel
Een andere bedreiging vormt de toenemende verbouw van de cocaplant, waarvan de bladeren voor de productie van cocaïne worden gebruikt. Volgens een rapport van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zijn de verbouw van coca en de daarmee samenhangende activiteiten, verantwoordelijk voor de vernietiging van vier miljoen hectare Peruaans grondgebied.
Coca werd in de Andes altijd al verbouwd door Indianen, die de bladeren kauwen als een licht stimulerend middel. Nu er geld mee te verdienen is en het gebruik ervan toeneemt, kappen boeren grote stukken bos om coca te verbouwen. Met steun van de Verenigde Staten proberen de Latijnsamerikaanse regeringen de oogsten met verdelgingsmiddelen te vernietigen. In de Verenigde Staten en Europa wordt de meeste cocaïne gebruikt, en alleen een daling van de vraag kan de verbouw van coca terugdringen.

Overstromingen
Omstreeks het jaar 2010 moeten in Brazilië 125 stuwdammen zijn gebouwd (1989). In 1986 kreeg Brazilië van de Wereldbank een lening van 500 miljoen dollar, bedoeld voor waterkrachtcentrales. Het Environmental Defense Fund waarschuwt echter dat door de bouw van deze stuwdammen meer dan 25000 hectare regenwoud in de Amazone onder water kan komen te staan, waardoor een half miljoen mensen uit hun woonplaatsen zullen worden verdreven.
Bij vorige leningen stelde de Wereldbank als eis dat de Indianen en hun gebieden beschermd moesten worden, maar die verantwoordelijkheid kwam terecht bij de FUNAI. Milieu-activisten beschuldigen deze Braziliaanse instelling ervan dat zij haar taak verwaarloost en vinden dat de Wereldbank te weinig druk uitoefent. Inmiddels heeft de Wereldbank dit erkend. Nieuwe lenigen zijn daarom geblokkeerd en er worden geen toezeggingen meer gedaan.

De beschermers van het regenwoud
De autochtone bevolking van de Amazone ziet het regenwoud niet als een ondoordringbare, vijandige jungle, maar als de bron van leven. Door de eeuwen heen zijn er in Midden-Amerika vele ‘oerwouddynastiën’ geweest, die vaak een hoge beschaving kenden.
Sinds de Portugezen in 1500 het land ontdekten, hebben de Braziliaanse Indianen voortdurend voor hun bestaan moeten vechten. In die tijd leefden er volgens schattingen nog ongeveer vijf miljoen Indianen in Brazilië. Tegenwoordig zijn het er nog slechts 200000. Onder de Braziliaanse wetten hebben de Indianen niet meer rechten dan minderjarigen.
De nieuwe Braziliaanse grondwet geeft de Indianen het recht op het permanente bezit van de gebieden die zij bewonen en op het gebruik van de daar aanwezige grondstoffen. Maar ondanks een wet waarin staat dat alle Indiaanse gebieden eind 1978 afgebakend moesten zijn, moet tweederde van alle stamgebieden nog officieel worden gemarkeerd.

De Kayapo-Indianen
Twee van de bekendste inheemse stammen zijn de Kayapo’s en de Yanomamo’s. De Kayapo’s wonen in Centraal-Brazilië, in het stroomgebied van de Xingu, een van de zuidelijke zijrivieren van de Amazone.
Zij weten zo met hun grondstoffen om te gaan dat het regenwoud gezond en gevarieerd blijft en hen daardoor in leven kan houden. Die houding hebben zij met alle andere inheemse volkeren gemeen.
Zij werden gedwongen voor hun bos te vechten, omdat zij bedreigd werden door buitenstaanders in hun eigen Kayapo-reservaat. De Kayapo’s hebben een krijgdhaftige traditie en werden eeuwenlang gerespecteerd als de machtigste Indianenstam in Brazilië. Met steun van de politie zijn ze erin geslaagd een percentage te eisen van het geld dat vijfduizend goudzoekers in de Xingu aan hun illegale praktijken overhouden.

De Yanomamo-Indianen
De Yanomamo’s leven -in het Amazonegebied- in het uiterste noorden van Brazilië en het zuiden van Venezuela. Pas in 1950 kwamen zij in contact met de buitenwereld en in tegenstelling tot vele andere stammen hebben zij hun cultuur grotendeels behouden. Sinds het midden van de jaren zeventig wordt hun wereld echter steeds meer bedreigd; de aanleg van wegen en de winning van goud, uranium en kassiteriet hebben voor grote milieuvervuiling gezorgd en de Yanomamo’s ziekten gebracht als malaria, tuberculose, griep en geslachtsziekten.
‘Economische, politieke en militaire belangen, gesteund door een overheid die de Indianen zouden moeten beschermen, krijgen voorrang boven de rechten van de Yanomamo’s, die niets anders vragen dan een waardig bestaan,’ verklaarde de Braziliaanse katholieke kerk. Ondanks een aanpassing van de Grondwet, waarin de ‘oorspronkelijke rechten’ van de inheemse stammen worden erkend, worden ze voortdurend niet nageleefd. De spanning en het geweld in het gebied nemen toe. Het leger, de plaatselijke overheid en de mijnwerkers zijn de Indianen vaak als ‘obstakels’. De Kerk is bijna de enige instantie die voor hun rechten opkomt. De FUNAI, de stichting voor Indiaanse Zaken, beweert echter dat sociale en culturele intergratie in de moderne samenleving in het belang van de Indianen is. Een woordvoerder van de FUNAI zou hebben verklaard: ‘We kunnen de Indianen niet eeuwig als museumstukken beschermen. Wij willen hen integreren, zodat ze een menselijker en waardiger bestaan kunnen leiden.’
Tussen 1955 en 1985 is het aantal niet-Indiaanse kolonisten in het Amazonegebied met negenhonderd procent toegenomen. Daardoor ‘ontvangen’ de Indianen niet alleen ziektes waartegen ze geen weerstand hebben, maar ze maken ook kennis met alcohol, waar ze niet tegen kunnen.
Ondanks beloften doet de regering heel weinig om goudzoekers en andere illegale kolonisten uit de Indiaanse gebieden te verdrijven. Buitenlandse antropologen die de Indianen hielpen, zijn echter meteen het land uitgezet.

Zelfbeschikking
Het nationalisme speelt in Brazilië een belangrijke rol. Ze hebben lange tijd hun ondoordringbare binnenlanden gezien als een nationale schande die moest worden uitgewist in plaats van een natuurlijke hulpbron. Als reactie tegen kritiek wezen zij erop dat de industrialisatie van Europa en Noord-Amerika ook ten koste van de bossen was gegaan.
‘Zoals veel ontwikkelingslanden die hun positie willen verbeteren, gebruikt Brazilië zijn internationale schulden vaak als een rechtvaardiging van de roofbouw op het regenwoud,’ terwijl het maar een heel klein percentage uitmaakt van het bruto nationaal product. Daarbij komt dat het Braziliaanse leger de controle over de regenwouden lange tijd heeft beschouwd als een voorwaarde voor de nationale veiligheid. Bijna twintig jaar gelden, toen er een militaire regering aan de macht was, werden de kolonisatie en ontwikkeling van het regenwoud sterk aangemoedigd. In 1985 kwam er weer een burgerregering in Brazilië en werd dit beleid geleidelijk teruggedraaid. Maar in hetzelfde jaar beweerde de Braziliaanse Nationale Veiligheidsraad dat Indiaanse groeperingen een Yanomamo-Republiek wilden uitroepen. Dat was een excuus om nog meer militaire bases en nederzettingen in het noorden neer te zetten.

Brazilië komt in actie
De Braziliaanse Groene Partij steeds meer aanhang door het toenemende nationale bewustzijn. Onder druk van buitenlandse regeringen en internationale financiële instellingen onderneemt nu ook de Braziliaanse regering voorzichtig enige actie. In oktober 1988 kondigde de Braziliaanse president José Sarney stappen aan om de vernietiging van het regenwoud tegen te gaan. Ook beloofde hij dat de regering allerlei projecten die schadelijk zijn voor het milieu, niet langer door belastingvoordelen of op andere wijze zou stimuleren. De veehouderij bijvoorbeeld is grotendeels van overheidssubsidies afhankelijk. En ook financiert de overheid de aanleg van dammen, en de wegen en nederzettingen die hiermee samenhangen. De president gaf opdracht te onderzoeken welke gebieden geschikt zijn voor veeteelt en akkerbouw, en welke delen behouden moeten blijven.
In februari 1989, kwamen ze door de bezuinigingen alweer in gevaar, maar geheel onverwachts kondigde de regering vervolgens aan dat zij buitenlandse fondsen wilde accepteren voor de bescherming van het Amazonegebied, zolang deze projecten maar onder Braziliaanse controle zouden blijven. Dit betekende een belangrijke wijziging in de Braziliaanse politiek.






De indianen in het amazonegebied worden door de Braziliaanse overheid beschermd mits de belangen van deze overheid niet geschaad worden.

Bescherming Indianen
1952; Parque Nacional Xingu; het eerste nationale park; voor de Xingu indianen. Dit was een beschermd gebied waar de Xingu indianen afgezonderd van de buitenwereld mochten leven.
Belangen regering:
In de jaren 50 en 60 waren tevens de jaren van de grootste ontwikkelingsplannen voor het amazonegebied. In plaats van bescherming kreeg integratie van de indianen al gauw weer de overhand. Dit leverde de overheid meer op dan de instelling van reservaten en parken zoals het Xingu park.

Bescherming Indianen
Oprichting FUNAI; nationale federatie voor indianen; opgericht. Dit was een regeringsinstantie die als taak de belangenbehartiging van de indiaanse bevolking kreeg. Voor de grondwet hadden de indianen namelijk dezelfde positie als minderjarigen. In theorie moest deze organisatie de rechten en cultuur van de indianen beschermen.
Belangen regering
In de praktijk droeg deze organisatie bij aan de afbraak van de indiaanse cultuur. De FUNAI vond dat etnische minderheden als de indianen ook moesten bijdragen aan het plan van nationale ontwikkeling. De indianen werden gestimuleerd producten (voedsel, aardewerk, kleding en vlechtwerk) te maken voor de verkoop; zo werden ze betrokken bij de markteconomie. De FUNAI kreeg verder de opdracht om erop toe te zien dat de indianen de ontsluiting van het Amazonegebied niet ophouden.
Belangen regering
De Braziliaanse regering startte in 1970 een groots project dat tot doel had het Amazonegebied economisch open te leggen, o.a. door de aanleg van de ca. 5600 km lange Transamazonesnelweg, de vestiging van industrieën en landbouwbedrijven. Deze plannen vormden niet alleen een bedreiging voor de Indianen, maar ook voor het ecologisch evenwicht.

Bescherming indianen
In samenwerking met de rubbertappers; die ook al hun hele leven in het regenwoud wonen gaan de indianen strijden voor reservaten. Er worden extractieve reservaten opgezet: reservaten waarvan de grond in bezit is van de staat en waar de indianen, rubbertappers en paranotenverzamelaars de exploitatie in handen hebben. Deze reservaten moesten economisch rendabel blijven en er moest tegelijkertijd ecologisch verantwoord worden geëxploiteerd.
Belangen regering
In 1996 krijgen grootgrondbezitters; houtkapbedrijven de kans om tegen grenzen van deze reservaten bezwaar aan te tekenen. De reservaten waren niet economisch rendabel en grootschalige projecten zijn wel economisch rendabel. Daarom kwam de regering met het decreet dat bezwaar gemaakt mocht worden tegen de grenzen. Er moest, volgens de overheid, een vervanging komen van de niet rendabele reservaten  grootgrondbezit / grote ondernemingen waren wel rendabel en leverden de overheid meer op. De overheid wil wel helpen (reservaten) maar wil niet voor de kosten op draaien (belangen moeten niet geschaad worden)

Conclusie
De regering wil de indianen wel te gemoed komen maar wil niet dat daarbij de eigen belangen geschaad worden. Telkens word eerst toestemming gegeven tot de oprichting van een park of reservaat van de indianen, maar wanneer iets anders meer geld oplevert; of bijdraagt tot de ontwikkeling van Brazilie, dan wordt daar de voorkeur aan gegeven.


De Braziliaanse stijging van de hydro-elektriciteitproductie is te danken aan het amazonegebied.

Feiten
In Brazilie werd in 1997 291.63 biljoen kWh elektriciteit geproduceerd; hiervan is
92.09 % waterkracht. De elektriciteit consumptie bedroeg 323.215 biljoen kWh; men exporteerde 8 miljoen kWh; 37.5 biljoen kWh moest worden ingevoerd (voornamelijk uit Paraguay)

De dammen
Van de grote rijkdom aan waterkracht wordt pas sinds de tweede helft van de jaren zeventig op grote schaal gebruik gemaakt. In 1984 werden twee waterkrachtcentrales in werking gesteld:
(1) De Itapipu-dam; dam in de rivier van Parana; in samenwerking met Paraguay. De dam had in 1990 een vermogen van 12,6 miljoen kW, en was daarmee de grootste ter wereld. De dam werd gebouwd in 1984 en heeft naar schatting 18 miljard dollar gekost.
(2) In de rivier de Tocantins in het Amazonegebied werd de Tucuruidam gemaakt. Deze dam levert jaarlijks 4 miljoen kW; voornamelijk ten behoeve van het Carajos-mijngebied.

Problemen voor de bewoners van het amazonegebied
Deze dammen liggen allemaal in het amazonegebied en zo draagt het amazonegebied bij aan de elektriciteitsproductie. De bewoners van het amazonegebied nemen dit niet in dank af:
- de indianen lopen ziekten op waarvoor zij geen weerstand hebben
- het ecologisch systeem wordt verstoord